Badhuis voor Minvermogenden
Rond het jaar 1865, in een periode dat er nog maar een paar honderd badgasten per jaar naar Zandvoort kwamen, bezocht de Amsterdamse hoogleraar C. B. Tilanus regelmatig onze badplaats. Deze hoogleraar was bekend vanwege de liefde voor de medemens en dan met name voor hen die wat minder gezegend waren met aardse goederen. Het was hem bekend dat zeelucht en een zeebad bij verschillende ziekten een beterend resultaat gaven. Het was al snel zijn wens om een plek in Zandvoort te creëren voor de minvermogenden. De heer Tilanus spoorde de toen bekende baddokter C. Smit aan om een inrichting aan het strand te doen ontstaan die deze mensen een verblijf aan zee met goede verpleging en goed voedsel tegen een geringe prijs kon geven. Dr. Smit ging direct aan het werk en samen met de predikant Dr. Swalué zamelden zij al snel een bedrag van ƒ 7000,= in, een voor die tijd ongekend hoog bedrag. De twee heren nodigden enkele in Zandvoort geïnteresseerde Haarlemse en Amsterdamse ingezetenen uit tot bijwoning van een vergadering in Haarlem met als doel te komen tot de stichting van een Badhuis voor Minvermogenden in Zandvoort. Tot de genodigden behoorden mr. C.A. Crommelin, mr. H.S. van Lennep uit Amsterdam, jhr. H.G. Barnaart, H.A. Crommelin, C.J.G. de Booy uit Haarlem en de toenmalige burgemeester van Zandvoort, de heer C.H. Enschedé. Op 25 juni 1869 werd besloten het badhuis op te richten en gelden voor dit doel te gaan inzamelen. Eind 1869 was al bij de negentienduizend gulden ingezameld en in 1870 was dit opgelopen tot ƒ 24.000,=. Al bij de eerste vergadering had de heer Barnaart de toezegging gedaan de benodigde grond in erfpacht te geven. De Amsterdamse architect S.W. van Rouendal leverde belangeloos de tekening en het bestek van het gebouw en de heren Staa en Fobbe namen het werk aan. Op 15 juli 1871 was het gebouw voltooid en compleet ingericht en op 17 juli werden de eerste patiënten opgenomen. Het ging goed met het Badhuis voor Minvermogenden en al gauw werd het een bezienswaardigheid. Er verschenen advertenties in de krant dat dagelijks van 14.00 uur tot 16.00 uur een bezoek kon worden gebracht aan het badhuis. De badgasten konden het goede werk dan met eigen ogen aanschouwen en wellicht een donatie achterlaten. In 1881 werd de geliefde huisarts Dr.C.A.Gerke aangesteld als geneesheer-directeur en later nam zijn zoon, C.A.H. Gerke, die taak over. Belangeloos namen beiden dit ambt waar. Hieronder werd o.a. verstaan iedere morgen van 6 tot 8 uur de patiënten te observeren. Mej. H. Bouvin was gedurende lange tijd de directrice van het badhuis. Met hart en ziel wijdde ze zich aan deze taak en ze had diverse malen een betere werkkring afgeslagen. Het woord workaholic bestond toen nog niet maar de bijbehorende functie wel. Middels oproepen in de plaatselijke krant maakte Mej. Bouvin bekend dat zij graag de patienten 1x per week vruchten wilden geven en dat ze daarvoor geld inzamelde. In 1904 werd door mevr. de weduwe F.H. Pouw-Schooneveldt na haar overlijden een legaat van tienduizend gulden vermaakt. Door deze gift besloot het bestuur tot uitbreiding van het badhuis want door de toch wel beperkte ruimten kon men niet meer aan de vele aanvragen voldoen. Aan de architect D.E.L. van den Arend werd opgedragen met een ontwerp te komen en de Zandvoortse aannemers O. Schrikkema en F. Zwaan gingen in de winter en voorjaar aan de slag. In 1919 kreeg het badhuis een naam. “Zeeduin” werd het toen genoemd. Nog een noemenswaardige datum is 7 mei 1929, op die dag bezocht koningin-moeder Emma het badhuis. Tijdens de Duitse bezetting werd het badhuis vanwege de zgn. Küstenräumung gesloopt. (© Cor Draijer).

